Trainingen op het werk | MD-act

Wat is training?

Wanneer heeft training ook effect op het werk? Een artikel over transfer, trainingsopzet, werkomgeving en wanneer training passend is

  • Ruim 35 jaar ervaring
  • NIP-geregistreerde Arbeids- en Organisatiepsychologen
  • CRKBO-geregistreerd

Op deze pagina

Inhoudsopgave

Training

Een training is een gestructureerd leerproces dat is gericht op het verwerven van specifieke kennis en het versterken of verwerven van vaardigheden. In de regel is het doel om de tijdens de training verworven kennis en vaardigheden in de werkpraktijk te gaan gebruiken.

Trainingen kunnen gericht zijn op technische vaardigheden of op persoonlijke of sociale vaardigheden, vaak soft skills genoemd. In onderzoek naar transfer wordt daarnaast onderscheid gemaakt tussen meer open en meer gesloten vaardigheden. Die indeling overlapt met het onderscheid tussen technische vaardigheden en soft skills, maar is niet precies hetzelfde.

Onderzoek laat zien dat trainingen positieve effecten kunnen hebben op kennis, vaardigheden en gedrag. Maar wat geleerd wordt tijdens een training, wordt niet vanzelfsprekend ook gebruikt op de werkplek. Of dat gebeurt, hangt van verschillende factoren af. Het hangt onder meer samen met de deelnemer, de manier waarop de training is ingericht en de omgeving waarin het geleerde moet worden toegepast.

Transfer naar de werkpraktijk vraagt voor elk type training aandacht. Dit geldt voor technische vaardigheden, zoals een training blind typen, maar vooral voor zogenoemde soft skills, zoals feedback geven, leidinggeven, omgaan met weerstand of een lastig gesprek voeren. Dit heeft te maken met het feit dat de geleerde soft skills in sterk wisselende sociale situaties moeten worden toegepast.

In dit artikel ligt de nadruk op vaardigheidstrainingen. Naast transfer na training gaan we ook in op de opzet van trainingen, verschillende trainingsvormen en de vraag wanneer een training een passende interventie is.

Veel trainingen van MD-act richten zich juist op soft skills. Daarom besteden we in het ontwerpen van onze trainingen niet alleen aandacht aan wat deelnemers tijdens de training leren, maar ook aan de manier waarop zij ermee oefenen en aan wat nodig is om het geleerde daarna in de praktijk te gebruiken en verder te ontwikkelen.

Een lastig gesprek voeren, feedback geven, leidinggeven of omgaan met conflict vraagt steeds opnieuw om een inschatting van de situatie. De ander reageert niet volgens een vast script en wat in de ene situatie passend is, hoeft dat in een andere situatie niet te zijn.

Op deze pagina lees je wat transfer van training is, waarom die bij gedragsgerichte trainingen extra aandacht vraagt, wat helpt om het geleerde in de praktijk te gebruiken en wanneer training een passende interventie kan zijn.

Ben je op deze pagina terechtgekomen, maar zoek je een training voor je team of organisatie? Wil je direct meer weten over de trainingen die MD-act verzorgt? Bekijk dan Training bij MD-act.

Wat is transfer van training

Transfer van training gaat over de vraag of wat tijdens een training is geleerd, ook wordt gebruikt in de werksituatie. In onderzoek naar transfer wordt onder meer gekeken naar de vraag of het geleerde over situaties heen wordt ingezet en of dit gedurende langere tijd gebeurt. [6]

Heel relevant, want met een training wordt per slot van rekening beoogd dat de deelnemers iets leren waarmee ze als professional in de werksituatie hun voordeel kunnen doen. Maar als het om transfer gaat, blijkt toch regelmatig dat de praktijk weerbarstig is. Zo kan een deelnemer tijdens een training feedbackregels leren en in een oefening succesvol toepassen, maar lukt dit op de werkvloer niet goed, bijvoorbeeld door de spanning die het voeren van het gesprek bij hem of haar oproept, of door de emotionele reactie van de feedbackontvanger.

Leren tijdens een training en het geleerde ook goed gebruiken in het werk kunnen daarom echt twee verschillende dingen zijn. Dat onderscheid is belangrijk. Het beoogde leereffect realiseren en in de training een vaardigheid beter leren beheersen, betekent nog niet automatisch dat ook het gedrag op het werk daardoor verandert. [1, 2]

Waarom vraagt gedragstraining extra aandacht voor transfer?

Voor trainingen waarin technische vaardigheden moeten worden overgebracht, geldt vaak dat sprake is van een hoge mate van standaardisering van gedrag: een machine of softwareprogramma werkt op een bepaalde manier, werkregels en -procedures vragen bepaalde handelingen in een bepaalde volgorde. Wat gevraagd wordt in het werk en de context waarbinnen het moet worden toegepast, zijn vaak goed na te bootsen in een trainingsomgeving. Zeker wanneer de training op de werkplek kan worden gegeven.

Voor trainingen waarin soft skills centraal staan geldt iets anders. Voor het inzetten van deze vaardigheden bestaan geen vaste handelingsprotocollen. Dat heeft te maken met de context waarin de vaardigheden moeten worden ingezet: deze is veel minder eenduidig. Om te beginnen is er een rijke variatie aan inhoudelijke, verbale en non-verbale reacties van je gesprekspartners mogelijk op wat jij doet of zegt. En in de omstandigheden waarbinnen een gesprek plaatsvindt of acties worden uitgevoerd, is ook een hoge mate van variatie en onvoorspelbaarheid mogelijk. Deelnemers moeten daarom niet alleen een vaardigheid leren, maar ook leren beoordelen wanneer en hoe zij die vaardigheid in verschillende situaties toepassen. Dit maakt een geslaagde transfer van het geleerde minder vanzelfsprekend.

Blume en collega’s vonden bovendien dat bij open vaardigheden factoren als motivatie en kenmerken van de werkomgeving sterker samenhangen met transfer dan bij gesloten vaardigheden. [2]

Vaardigheidstrainingen en transfer: een slechte combinatie?

Transfer bij vaardigheidstrainingen is dus zeker niet vanzelfsprekend. Maar betekent dit ook dat trainingen voor het leren van vaardigheden eigenlijk niet de goede interventie zijn?

Niet per se. Dat transfer bij open vaardigheden complexer is, betekent niet dat trainingen in dit type vaardigheden niet effectief zouden kunnen zijn. Een grote meta-analyse naar leiderschapstraining vond juist duidelijke positieve effecten op onder andere leren en transfer. De effecten verschillen wel, afhankelijk van de manier waarop de training was ontworpen en uitgevoerd. Trainingen waarvan het ontwerp was gebaseerd op een voorafgaande analyse van wat deelnemers moesten leren en ontwikkelen, hadden gemiddeld genomen betere resultaten. Ook oefenen, feedback en training verspreid over meerdere momenten bleken van toegevoegde waarde te zijn. [4]

Wat helpt om het geleerde ook in het werk te gaan gebruiken?

Recent onderzoek laat zien dat veel factoren een rol kunnen spelen bij transfer van soft skills. Transfer hangt samen met:

  • wat een deelnemer kan en hoe gemotiveerd iemand is;
  • de manier waarop de training wordt ingericht;
  • de mogelijkheden die de werkomgeving biedt om het geleerde daadwerkelijk te gebruiken. [7]

In het onderzoek naar transfer van soft skills komt naar voren dat transfer vaker of sterker wordt gevonden wanneer deelnemers meer gelegenheid krijgen om te oefenen met relevante situaties, feedback krijgen, doelen stellen voor de praktijk, het nieuwe gedrag snel in het werk kunnen toepassen en steun ervaren vanuit de werkomgeving. De training spreiden over de tijd, zodat deelnemers tussen de trainingssessies de gelegenheid krijgen om in het werk het geleerde toe te passen en de ervaringen worden geëvalueerd in het vervolg van de training, is een ontwerpfactor die ook positief samenhangt met transfer. [7]

De afzonderlijke factoren garanderen geen transfer. De onderzoekers zeggen dat juist de verschillende factoren samen van belang kunnen zijn.

Transfer en de opzet van een vaardigheidstraining

Voor het ontwerp van een training betekent rekening houden met transfer dat we idealiter al vooraf nadenken over de toepassing van het geleerde na de training. Welke situaties komen deelnemers, met het oog op de vaardigheden die moeten worden getraind, in hun werk tegen? Welk gedrag willen zij daarin anders inzetten? Kunnen zij daarmee tijdens de training voldoende oefenen? Wat kunnen in de praktijk reacties of omstandigheden zijn die het toepassen van het geleerde lastig kunnen maken? En krijgen de deelnemers na de training voldoende gelegenheid en steun om het geleerde in de praktijk uit te proberen?

In onderzoek naar transfer wordt onderscheid gemaakt tussen drie groepen factoren: kenmerken van de deelnemer, kenmerken van de training en kenmerken van de werkomgeving. Welke factoren het belangrijkst zijn, verschilt per training en situatie. [2, 6, 12] Deze drie groepen bieden ook een bruikbaar kader bij het ontwerpen van een training: wat vraagt aandacht bij de deelnemer, hoe moet de training worden ingericht en wat is er in de werkomgeving nodig om toepassing van het geleerde mogelijk te maken?

De deelnemer

Vooral de motivatie om het geleerde in de praktijk te gaan brengen is voor transfer relevant. Is iemand gemotiveerd om in de training iets te leren? Wordt het nut ervan ingezien? Is iemand echt van plan het geleerde later in de werksituatie ook te gaan gebruiken? [8]

De training zelf

Bij gedragsgerichte training is oefenen belangrijk. Weten hoe feedback geven werkt, betekent nog niet dat iemand dat ook kan wanneer de ander geïrriteerd reageert of wanneer er veel op het spel staat.

Oefenen maakt zichtbaar waar iemand in de uitvoering tegenaan loopt. Deelnemers kunnen vervolgens feedback krijgen, een andere aanpak proberen en ervaren wat daarvan het effect is. Onderzoek naar behavior modeling training laat zien dat transfer onder andere gunstiger was wanneer deelnemers oefenden met zelf ingebrachte situaties en concrete doelen formuleerden voor toepassing na de training. [3]

Daarom werken we in trainingen altijd zoveel mogelijk met concrete situaties uit de praktijk van deelnemers. Die zijn voor hen herkenbaar en maken tegelijk zichtbaar waar het toepassen van de vaardigheid voor de individuele deelnemer in zo’n situatie moeilijk wordt.

Theorieën en modellen kunnen daarbij helpen. Ze kunnen taal geven aan wat er gebeurt en een andere manier bieden om situaties te bekijken of beoordelen dan iemand van nature geneigd is te doen. Daarmee kunnen ze inzicht geven of inspireren tot ander gedrag.

De werkomgeving

Wat na een training gebeurt, is voor transfer ook belangrijk. De werkomgeving kan het gemakkelijker maken om nieuw gedrag toe te passen, maar kan dat ook bemoeilijken. In onderzoek naar transfer van soft skills komt naar voren dat voldoende autonomie hebben om het nieuwe gedrag toe te passen, werkdruk die ruimte laat om te oefenen en steun van de leidinggevende en collega’s relevante factoren zijn. [5, 7]

Een training feedback geven heeft bijvoorbeeld beperkte mogelijkheden wanneer medewerkers in de praktijk ervaren dat hun feedback door hun leidinggevende slecht wordt ontvangen. En als je in een leiderschapstraining leert meer verantwoordelijkheid bij je medewerkers te leggen, maar je eigen leidinggevende verwacht dat iedere beslissing van je medewerkers eerst langs jou gaat, is er ook niet echt de gelegenheid om met delegeren te oefenen.

Onderzoek naar soft-skills-transfer laat zien dat steun van de leidinggevende bij het transferproces een rol kan spelen. [5] De leidinggevende kan transfer onder meer ondersteunen door met medewerkers na hun training te bespreken wat zij willen uitproberen, daarvoor ruimte te geven en met hen te bespreken wat goed ging en juist wat minder goed lukte. Dat betekent niet dat een leidinggevende altijd aan de training moet deelnemen, maar wel dat het zinvol kan zijn om hem of haar bij een training te betrekken.

Onze ervaring met deelnemers: als de vaardigheid er wel is, maar niet altijd beschikbaar is

In onze trainingen zien we dat deelnemers de communicatieve vaardigheden die in een training centraal staan vaak al beheersen.

Ze kunnen feedback geven, grenzen duidelijk en respectvol aangeven of een moeilijk gesprek voeren. En de meesten kunnen met aandacht luisteren en vragen stellen. Toch lukt het niet altijd om die vaardigheden ook in bepaalde situaties goed in te zetten. Iemand gaat bijvoorbeeld vooral zenden terwijl vragen stellen meer zou kunnen opleveren, onderbreekt de ander steeds, wordt feller dan de bedoeling was of blijft om de hete brij heen draaien terwijl iets wel gezegd moet worden.

Onze ervaring is dat de kans op transfer naar de werksituatie klein is wanneer er in de training geen aandacht wordt besteed aan de belemmerende factoren die zichtbaar worden wanneer deelnemers oefenen met het toepassen van de vaardigheden in voor henzelf lastige situaties.

Uit onderzoek blijkt inderdaad dat persoonlijke factoren bij vaardigheidstrainingen van invloed kunnen zijn op de kans dat het geleerde in de praktijk wordt toegepast. Zo blijkt dat motivatie om het geleerde daadwerkelijk in het werk te gebruiken de kans op transfer vergroot. Dat geldt ook voor self-efficacy: mensen die er meer vertrouwen in hebben dat zij het geleerde kunnen uitvoeren, passen het gemiddeld ook vaker toe in het werk. [2, 8]

Ook verwachtingen over de gevolgen van bepaald gedrag kunnen van invloed zijn op wat iemand uiteindelijk doet. Onderzoek naar assertiviteit laat bijvoorbeeld zien dat mensen verschillen in de verwachtingen die zij hebben van de sociale en praktische gevolgen van assertief gedrag en dat deze verwachtingen samenhangen met hoe assertief zij zich daadwerkelijk gedragen, ook op het werk. [9] Onderzoek naar spreken en zwijgen binnen organisaties laat daarnaast zien dat de verwachting van negatieve persoonlijke of professionele gevolgen een reden kan zijn om zorgen, kritiek of afwijkende opvattingen niet uit te spreken. [10, 11]

De patronen die in de hierboven aangehaalde onderzoeken naar voren komen, herkennen we in onze trainingen.

Iemand kan bijvoorbeeld weten hoe je een grens duidelijk en respectvol aangeeft, maar in een aan de praktijk ontleende oefening toch niet doen omdat diegene verwacht dat de ander boos zal worden of de relatie zal verslechteren. Of iemand is prima in staat om zijn of haar mening duidelijk onder woorden te brengen. Maar omdat hij of zij bang is dat de ander het misschien onnozel zou kunnen vinden, durft diegene in een oefening zijn mening niet uit te spreken, of komt het er hakkelend of onsamenhangend uit. Het probleem zit dan niet uitsluitend in het beheersen van de vaardigheid. De verwachting over wat er zal gebeuren wanneer die vaardigheid wordt ingezet, kan mede bepalen wat iemand uiteindelijk doet.

In onze trainingen oefenen we daarom met casuïstiek van de deelnemers, ontleend aan situaties die zij zelf als lastig hebben ervaren. Wij maken gebruik van professionele trainingsacteurs die deze situaties levensecht kunnen neerzetten. Juist daardoor wordt de kans groter dat zichtbaar wordt wat er met iemands communicatie gebeurt, verbaal en non-verbaal, wanneer een gesprek lastig of spannend wordt.

Wat we in onze trainingen tijdens het oefenen niet doen, is achter iedere minder effectieve reactie eerst een onderliggend psychologisch mechanisme zoeken. Soms zijn oefenen, feedback krijgen en weer opnieuw proberen effectief genoeg. Maar wanneer bij iemand eenzelfde patroon terugkomt, gaan we een stap verder kijken.

Wat gebeurde er op het moment dat het gesprek veranderde? Waar reageerde iemand op? Wat verwachtte diegene? Wat wilde hij of zij vermijden? Welke aannames, overtuigingen of emoties speelden mogelijk een rol? En wat kan helpen om het gedrag dat iemand eigenlijk wil inzetten ook daadwerkelijk in te blijven zetten?

Op deze manier werken we in eerste instantie aan bewustwording. Een deelnemer leert beter herkennen wanneer de eigen communicatie niet meer zo effectief is en krijgt inzicht in wat in deze situaties gebeurt, welke onderliggende gedachten, aannames of emoties mogelijk een rol spelen en wat het effect daarvan kan zijn op de eigen communicatie.

Wanneer het patroon wordt herkend, oefenen we met alternatief gedrag. Dit doen we met een casus waarin het oude patroon gemakkelijk weer de kop kan opsteken.

Het herkennen en erkennen van zo’n patroon kan een belangrijke eerste stap zijn. Onze ervaring is dat dergelijke patronen en hun onderliggende mechanismen meestal hardnekkig zijn.

Na afloop van de training kunnen veel oefenen op de werkplek, feedback vragen aan collega’s en reflecteren op wat goed en minder goed lukte helpen om nieuw gedrag voor lastige situaties verder te ontwikkelen. Soms kan aanvullende oefening of begeleiding zinvol zijn, bijvoorbeeld in een vervolgtraining of intervisie. Bij hardnekkige patronen kan werken met een coach een goede optie zijn.

Onze manier van werken sluit aan bij onderzoek waaruit blijkt dat het beheersen van een vaardigheid op zichzelf geen garantie is voor transfer. Ook het vertrouwen dat iemand heeft dat hij of zij het gedrag kan uitvoeren (self-efficacy) [2, 8] en de verwachtingen over wat er gebeurt wanneer dat gedrag wordt ingezet [9, 10, 11], kunnen mede bepalen of iemand het geleerde zal toepassen. De manier waarop wij zulke belemmeringen tijdens het oefenen onderzoeken en dit combineren met feedback en opnieuw oefenen, is vooral vanuit onze eigen trainingspraktijk ontwikkeld.

Welke trainingsvormen zijn er?

Binnen de trainingen van MD-act onderscheiden we grofweg drie vormen.

Vaardigheidstraining: focus op gedrag

Vaardigheidstrainingen richten zich op concreet gedrag, bijvoorbeeld feedback geven, luisteren en doorvragen, omgaan met weerstand of doen wat bijdraagt aan besluitvorming met draagvlak.

Deelnemers oefenen met situaties uit hun eigen werk. Iemand kan weten hoe je feedback geeft en het toch moeilijk vinden om een collega ergens op aan te spreken. Of het lukt tijdens een eerste oefening goed, totdat de gesprekspartner zich gaat verdedigen. Dan wordt zichtbaar welk gedrag onder druk vanzelf weer naar voren komt en waarmee verder geoefend kan worden.

Teamtraining: focus is trainen, maar team- of organisatiedynamiek speelt bijna altijd ook een rol

Bij teamtraining is het vertrekpunt trainen. Er is een concrete leer- of ontwikkelvraag waarvoor oefenen nodig is. Omdat wat deelnemers leren uiteindelijk in het team of de organisatie moet worden toegepast, zijn er vaak redenen om die context erbij te betrekken. Daarin kunnen factoren spelen die transfer van het geleerde ondersteunen of juist bemoeilijken.

Dan kan het bijvoorbeeld gaan over hoe teamleden met elkaar afstemmen, besluiten nemen, elkaar aanspreken of omgaan met verschillen van mening.

Ook de context waarin het gedrag van de teamleden plaatsvindt kan daarbij relevant zijn. Denk daarbij aan leiderschap, de verdeling van verantwoordelijkheden, regels en procedures, de manier waarop de organisatie omgaat met fouten en de mate van autonomie die het team krijgt.

Hoe meer de vraag uiteindelijk gaat over de dynamiek binnen teams en de context waarin deze zich manifesteert, des te meer een teamtraining het karakter kan krijgen van teamcoaching.

Leiderschapstraining: focus op rol en context

Een leiderschapstraining richt zich primair op vaardigheden en gedrag die samenhangen met de rol van leidinggevende. Daarnaast komt de context waarbinnen het leiderschap uitgeoefend wordt vaak ook op de agenda.

In leiderschapstrainingen staan thema’s als feedback geven, leidinggeven aan vergaderingen, besluiten nemen met het team, sturen en delegeren, omgaan met conflicten, weerstand en kritiek vaak centraal. Ook het situationeel inzetten van gedrag, afhankelijk van de situatie of individuele medewerker, kan een thema zijn.

Wil je zien hoe zo’n training eruit kan zien? Op de pagina met trainingsthema’s staan voorbeelden van trainingen die MD-act in-company kan verzorgen.

Deelnemers uit verschillende teams of afdelingen

Waarom gemengde groepen?

In-company trainingen worden niet alleen voor bestaande teams verzorgd. Soms nemen medewerkers of leidinggevenden uit verschillende teams, afdelingen of vestigingen deel. Bijvoorbeeld omdat binnen de organisatie meerdere mensen dezelfde vaardigheid willen ontwikkelen, zoals feedback geven, moeilijke gesprekken voeren of leidinggeven.

Een opdrachtgever kan ook bewust voor gemengde groepen kiezen. Mensen die elkaar in het dagelijkse werk maar beperkt tegenkomen, leren elkaar dan tijdens de training kennen en horen hoe vergelijkbare situaties elders binnen de organisatie worden aangepakt.

Wat kunnen gemengde groepen opleveren?

Met een gemengde groep kan minder diep worden ingegaan op de dynamiek binnen één specifiek team. Daar staat tegenover dat deelnemers ervaringen uit verschillende delen van de organisatie meenemen.

In onze ervaring hebben trainingen voor gemengde trainingsgroepen zo hun eigen voordelen. Er ontstaan soms nieuwe, zinvolle netwerken over teams en afdelingen heen. Door meer inzicht te krijgen in wat collega’s elders doen, waar ze tegenaanlopen, wat voor hen belangrijk is, kan er soms over en weer meer begrip ontstaan, of beter rekening worden gehouden met elkaar. Soms worden thema’s zichtbaar die breder spelen dan alleen binnen of voor het eigen team. Bijvoorbeeld onduidelijkheid over besluitvorming, verantwoordelijkheden die niet helder zijn, tegengestelde doelen of belangen. Hoewel een gemengde trainingsgroep geen organisatieonderzoek is, kunnen de thema’s die in zo’n trainingsgroep op tafel komen relevant zijn om te worden besproken met de directie of het management. Dit doen we uiteraard alleen wanneer we daarvoor de toestemming krijgen van de deelnemers aan de training. En ook dan zonder hierbij terug te koppelen wat individuele deelnemers in de training hebben gezegd.

Wanneer is training een passende interventie?

Training kan een goede interventie zijn wanneer mensen iets moeten leren of ontwikkelen en oefenen daar een belangrijk onderdeel van is. Dat kan gaan om kennis, maar bij de trainingen van MD-act gaat het vaak om gedrag: een gesprek anders voeren, beter luisteren, iemand aanspreken, leidinggeven of effectiever samenwerken.

Wanneer de gewenste gedragsaanpassing voor een medewerker moeilijk te realiseren blijkt te zijn en meer tijd nodig is om uit te zoeken wat hiervoor nodig is, kan individuele coaching een betere interventie zijn. Daar is meer ruimte om intensief te oefenen en aandacht te besteden aan de mogelijke persoonlijke belemmeringen die de gewenste gedragsverandering bemoeilijken.

Soms ligt de belangrijkste aangrijpingsmogelijkheid op een ander niveau. Als bijvoorbeeld samenwerking vastloopt door onduidelijke verantwoordelijkheden, de impliciete of expliciete verwachtingen van leidinggevenden niet goed aansluiten bij wat deelnemers in de training zouden moeten leren, of medewerkers weinig ruimte krijgen voor het gedrag dat van hen wordt gevraagd, is training (alleen) waarschijnlijk niet erg zinvol.

Daarom onderzoeken wij bij een trainingsvraag met de opdrachtgever de context waarbinnen de vraag naar training is ontstaan, waar een training aan zou moeten bijdragen en of training wel de meest passende interventie is. Vragen die relevant kunnen zijn, zijn:

  • Voor welke omstandigheid of welk probleem zou een training een deel van de oplossing moeten zijn?
  • Welke gedragsveranderingen moeten na de training bij de deelnemers op de werkplek zichtbaar zijn?
  • Wat zouden oorzaken kunnen zijn van de huidige situatie?
  • Wat is al gedaan om hieraan het hoofd te bieden?
  • Wat zijn factoren binnen het team en de organisatie die het oplossen van de huidige situatie in de weg lijken te zitten?
  • Wat zijn factoren binnen het team en de organisatie die het toepassen van het geleerde op de werkplek zouden kunnen gaan bemoeilijken?
  • Als de training succesvol is en de deelnemers het geleerde daadwerkelijk in de praktijk zouden gaan brengen, is er dan nog meer nodig om de gewenste situatie te realiseren?

De antwoorden op dit type vragen geven meer inzicht in de vraag of training (op dit moment) de goede interventie is, welke voorwaarden voor transfer aanwezig zijn of juist ontbreken en wat eventueel naast training nodig is om de doelen te kunnen realiseren.

Wanneer kun je zeggen dat een training heeft gewerkt?

Bij onderzoek naar de effectiviteit van training worden doorgaans vier soorten uitkomsten onderscheiden [1, 4]:

  1. Hoe beoordelen de deelnemers de training?
  2. Hebben de deelnemers iets nieuws geleerd?
  3. Wordt het geleerde in het werk toegepast en verandert het gedrag?
  4. Worden de resultaten zichtbaar waaraan de training op team- en/of organisatieniveau moest bijdragen?

Welke uitkomst belangrijk is, hangt af van het doel van de training. Vaak is het doel van training dat er vooraf bepaalde veranderingen zichtbaar worden in de manier waarop medewerkers op de werkplek dingen doen. Soms worden deze veranderingen ook expliciet gekoppeld aan meetbare uitkomsten: bijvoorbeeld minder verloop, grotere klanttevredenheid, hogere scores op medewerkerstevredenheid of hogere omzet.

Een opdrachtgever kan soms meer dan één doel hebben. Bijvoorbeeld dat deelnemers iets leren en tegelijkertijd ook in een ontspannen sfeer elkaar op een andere manier leren kennen, of dat ze elkaar daarna op het werk makkelijker kunnen vinden.

Als leren of ontwikkelen helemaal geen doel is en het vooral gaat om samen iets doen en de onderlinge verbondenheid versterken, spreken we doorgaans eerder over een teamactiviteit of teambuilding dan over training.

Bij het ontwerpen van een training is het nodig om vooraf te bepalen wat het doel ervan is. Daarmee wordt niet alleen duidelijker wat de training moet opleveren, maar ook of de training achteraf daadwerkelijk voldaan heeft aan de bedoeling ervan.

Bronnen

  1. Arthur, W., Bennett, W., Edens, P. S., & Bell, S. T. (2003). Effectiveness of training in organizations: A meta-analysis of design and evaluation features. Journal of Applied Psychology, 88(2), 234–245. DOI: 10.1177/0149206309352880.
  2. Blume, B. D., Ford, J. K., Baldwin, T. T., & Huang, J. L. (2010). Transfer of training: A meta-analytic review. Journal of Management, 36(4), 1065–1105. https://doi.org/10.1177/0149206309352880.
  3. Taylor, P. J., Russ-Eft, D. F., & Chan, D. W. L. (2005). A meta-analytic review of behavior modeling training. Journal of Applied Psychology, 90(4), 692–709. https://doi.org/10.1037/0021-9010.90.4.692.
  4. Lacerenza, C. N., Reyes, D. L., Marlow, S. L., Joseph, D. L., & Salas, E. (2017). Leadership training design, delivery, and implementation: A meta-analysis. Journal of Applied Psychology, 102(12), 1686–1718. https://doi.org/10.1037/apl0000241.
  5. Botke, J. A., Jansen, P. G. W., Khapova, S. N., & Tims, M. (2018). Work factors influencing the transfer stages of soft skills training: A literature review. Educational Research Review, 24, 130–147. https://doi.org/10.1016/j.edurev.2018.04.001.
  6. Ford, J. K., Baldwin, T. T., & Prasad, J. (2018). Transfer of training: The known and the unknown. Annual Review of Organizational Psychology and Organizational Behavior, 5, 201–225. https://doi.org/10.1146/annurev-orgpsych-032117-104443.
  7. Hamzah, H. A., Marcinko, A. J., Stephens, B., & Weick, M. (2025). Making soft skills ‘stick’: A systematic scoping review and integrated training transfer framework grounded in behavioural science. European Journal of Work and Organizational Psychology, 34(2), 237–250. DOI: 10.1080/1359432X.2024.2376909. https://doi.org/10.1080/1359432X.2024.2376909.
  8. Gegenfurtner, A. (2011). Motivation and transfer in professional training: A meta-analysis of the moderating effects of knowledge type, instruction, and assessment conditions. Educational Research Review, 6(3), 153–168. DOI: 10.1016/j.edurev.2011.04.001. https://doi.org/10.1016/j.edurev.2011.04.001.
  9. Ames, D. R. (2008). Assertiveness expectancies: How hard people push depends on the consequences they predict. Journal of Personality and Social Psychology, 95(6), 1541–1557. https://doi.org/10.1037/a0013334.
  10. Morrison, E. W. (2014). Employee voice and silence. Annual Review of Organizational Psychology and Organizational Behavior, 1, 173–197. https://doi.org/10.1146/annurev-orgpsych-031413-091328.
  11. Kish-Gephart, J. J., Detert, J. R., Treviño, L. K., & Edmondson, A. C. (2009). Silenced by fear: The nature, sources, and consequences of fear at work. Research in Organizational Behavior, 29, 163–193. https://doi.org/10.1016/j.riob.2009.07.002.
  12. Baldwin, T. T., & Ford, J. K. (1988). Transfer of training: A review and directions for future research. Personnel Psychology, 41(1), 63–105. https://doi.org/10.1111/j.1744-6570.1988.tb00632.x.

Wie je begeleidt

Jouw begeleiding in ervaren handen

Bij MD-act werk je direct met ervaren, NIP-geregistreerde psychologen. Persoonlijk en zonder tussenlagen.

Portret van Albert, coach bij MD-act

Albert van Veen

NIP-geregistreerde Arbeids- en Organisatiepsycholoog · CRKBO
Samenwerking, leiderschap en teamcoaching. Begeleidt medewerkers, leidinggevenden en teams bij vragen en problemen rond functioneren.
LeiderschapTeamcoachingTraining

Wat anderen zeggen

Ervaringen van cliënten en opdrachtgevers

Een selectie uit 75 reviews.

“Door de goede ontvangst en de benadering van Mariëlle ben je snel op je gemak. Zorgvuldige terugkoppeling, goede onderbouwde rapportage. Misschien raar om te zeggen maar ik vond het een feestje….”

Corine Brouwer

Manager –
Pro Persona GGZ
“Albert, ik raad jou sterk aan voor mensen die problemen ervaren op hun werk of last hebben van stress. Want je coaching werkt echt! Je scoort voor mij een 10.”

Anoniem

Administratief medewerker –
Gemeente Berg en Dal
“Mariëlle bezit het vermogen om je met andere ogen naar jezelf te laten kijken. Ik heb een grote persoonlijke groei doorgemaakt door haar coaching.”

Ariejanne de Groot

Senior Projectassistent –
Raad voor Accreditatie
“De rustige, neutrale en open houding van Albert hebben ervoor gezorgd dat ik mij veilig voelde en kwetsbaar durfde op te stellen.”

Kim Wamper

Orthopedisch chirurg –
“Mariëlle werkt met professionals en leidinggevenden op een heel professionele manier. Respectvol, serieus en met humor, een heldere visie en scherpe analyses.”

Judith Budde

Directeur & Senior opleider –
het Balkon
“Albert is een coach met een scherpe blik. Hij weet complexe situaties helder te analyseren en terug te brengen tot behapbare en oplosbare uitdagingen.”

Liz van Velzen

Account manager –
Raad voor Accreditatie
Een intake en offerte zijn altijd vrijblijvend. Leidt het niet tot een opdracht of ben je niet tevreden over je coach? Dan ontvang je geen factuur.

Klaar om de volgende stap te zetten?

Een kennismakingsgesprek is altijd gratis en vrijblijvend. Wij luisteren eerst. Dan kijken we samen wat past.